Naar een holistische aanpak tegen haatuitingen

Artikel door Birgit Van Hout, regionaal vertegenwoordiger voor Europa

Bureau van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de VN

18 juni 2022

 

Op 18 juni organiseert de Verenigde Naties voor de eerste keer de Internationale dag voor de bestrijding van haatuitingen en lanceert ze de #NoToHate- campagne. In de geschiedenis waren haatuitingen vaak de voorbode van geweld en gruweldaden. Vandaag zijn we getuige van een explosie van haatzaaiende taal, verergerd door sociale media, ook in Europa, omdat internetgebruikers zich achter de anonimiteit van sociale platforms kunnen verschuilen.

Steeds meer vrouwelijke politici – zelfs leden van het Europees Parlement -, vrouwelijke activisten en vrouwelijke journalisten ontvangen online bedreigingen, meestal uit vrouwenhaat. Vaak leidt dit tot zelfcensuur en soms stappen ze zelfs uit het openbare leven.

Haatzaaiende taal is ook gericht tegen etnische, raciale en religieuze minderheidsgroepen, migranten en vluchtelingen. Tijdens de COVID-19-gezondheidscrisis zagen we steeds meer verbale beledigingen tegen die gemeenschappen. Vrouwen uit minderheidsgroepen zijn dubbel slachtoffer. Het toont de raakpunten tussen racisme en vrouwenhaat.

We zien ook meer haat tegen de LGBTI-gemeenschap. Sommige lokale autoriteiten riepen hun steden uit tot LGBTI-vrije zones, legden onevenredig zware straffen op aan LGBTI-activisten, en sommige autoriteiten vertoonden een zorgwekkende terughoudendheid tegenover haatmisdrijven tegen de LGBTI-gemeenschap.

Harde statistieken zijn echter moeilijk te verkrijgen om verschillende redenen: uitingen van haat worden vaak niet gemeld; autoriteiten verzamelen die informatie soms niet, en als ze dat wel doen, is deze niet altijd opgesplitst per slachtoffergroep.

 

Haatuitingen

Het begrip “haatuitingen” is niet gedefinieerd in het internationaal recht. In plaats daarvan roept het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten op om het aanzetten tot haat dat leidt tot discriminatie, vijandigheid of geweld bij wet te verbieden. Hetzelfde verdrag biedt sterke bescherming voor de vrijheid van meningsuiting. Er is dus een spanningsveld tussen de bescherming van de vrijheid van meningsuiting en de bescherming van individuen en groepen tegen haatuitingen.

Het is soms moeilijk om te bepalen wanneer een uiting precies voldoet aan de voorwaarde van het aanzetten tot discriminatie, vijandigheid of geweld, en op welk punt dat bij wet moet worden verboden. Om rechtbanken en gerechtshoven te helpen die afweging te maken, heeft de VN het actieplan van Rabat ontwikkeld – een reeks criteria om, geval per geval, de context, de spreker, de intentie, de inhoud, de mate van verspreiding van de uiting en de waarschijnlijkheid van schade te beoordelen.

Een bemoedigende stap is dat de Toezichtsraad van Meta in verschillende besluiten die toets van Rabat toepast, ze verwijzen uitdrukkelijk naar internationale mensenrechtenverdragen, -beginselen en -aanbevelingen. Sociale-mediaplatforms reguleren is bijzonder complex, en de EU-wetgeving over digitale diensten en de digitale markt moet streven naar het juiste evenwicht met maximale transparantie.

Wanneer een uiting niet aanzet tot discriminatie, vijandigheid of geweld, moeten we voorzichtig te werk gaan en uitingen niet strafbaar stellen of verbieden, ook al zijn ze haatdragend of kwetsend, maar andere maatregelen nemen.  Daar zijn goede redenen voor: wanneer de vrijheid van meningsuiting onrechtmatig wordt beperkt, heeft dat gevolgen voor een reeks andere mensenrechten, zoals de vrijheid van vereniging, de vrijheid van vreedzame vergadering en de mediavrijheid.

Bovendien worden Europese wetgevingen en beleidsmaatregelen vaak gekopieerd in andere delen van de wereld, zoals we hebben gezien bij de COVID-19-maatregelen en bij sommige nationale wetgevingen tegen haatuitingen. Er bestaat een reëel gevaar dat in minder democratische landen mensenrechtenverdedigers, oppositieleiders, academici, vakbondsmensen, grassroot organisaties en journalisten het zwijgen wordt opgelegd door buitensporige beperkingen van de vrijheid van meningsuiting. Nu al maken verschillende landen in de wereld gebruik van wetten tegen haatuitingen om legitieme meningsverschillen te onderdrukken of minderheden te vervolgen.

 

Haatuitingen: een teken van discriminatie

Haatuitingen zijn vaak een uiting van onderliggende discriminatie. Daarom moeten maatregelen tegen haatuitingen hand in hand gaan met maatregelen tegen discriminatie en de onderliggende oorzaken ervan. De EU heeft hier grote vooruitgang geboekt sinds de aanstelling van een Europese commissaris voor Gelijkheid: er zijn beleidsmaatregelen voor gelijkheid en integratie vastgesteld om antisemitisme en anti-moslimhaat te bestrijden, een einde te maken aan de discriminatie van personen met een handicap en de gelijkheid van vrouwen en mannen te bevorderen. Het EU-kader voor de integratie van de Roma biedt, als het door de EU-lidstaten wordt uitgevoerd, een historische kans om Roma-vrouwen, -mannen en -kinderen gelijkwaardige toegang tot mensenrechten te geven.

In haar actieplan tegen racisme heeft de Europese Commissie de EU-lidstaten opgeroepen nationale actieplannen tegen racisme te ontwikkelen. Die plannen kunnen doeltreffend zijn om de onderliggende oorzaken van haatdragende taal aan te pakken, op voorwaarde dat het om een aanpak voor de hele samenleving gaat die in overleg met gediscrimineerde groepen wordt ontwikkeld. Dat is ook de boodschap van de Agenda voor Transformatieve Verandering van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de VN, om het systemische racisme tegen mensen van Afrikaanse afkomst te ontmantelen.

 

Naar een holistische aanpak

Alleen een holistische aanpak op verschillende gebieden in de strijd tegen haatuitingen is doeltreffend.

Politieke leiders hebben een bijzondere verantwoordelijkheid om zich te onthouden van haatuitingen en om boodschappen die tot haat kunnen aanzetten officieel te veroordelen. Daartoe moeten politieke partijen ethische richtsnoeren aannemen en handhaven.

Publieke figuren, journalisten, media-organisaties en nationale sportautoriteiten moeten bewust worden gemaakt van hun invloed op de publieke opinie. Het VN-Bureau voor de Mensenrechten heeft instrumenten ontwikkeld omverhalen over migranten een andere wending te geven, weg van een overwegend negatieve en vaak giftige retoriek. Met de toolkit #Faith4Rights kunnen actoren uit het geloof van elkaar leren over hoe religieuze leiders haatuitingen kunnen aanpakken.

Een grotere inspanning moet worden geleverd om de landenspecifieke aanbevelingen van de internationale mensenrechtenmechanismen, zoals de VN-verdragsorganen, de universele periodieke doorlichting of de speciale procedures van de VN-Mensenrechtenraad, uit te voeren.

Daarnaast moeten landen nauwkeurige en aparte gegevens verzamelen om de factoren die bepaalde groepen kwetsbaar maken voor haatuitingen met elkaar in verband te brengen.

Tot slot is mensenrechtenonderwijs de krachtigste strategie om zowel haatuitingen als de oorzaken en vormen ervan te voorkomen en tegen te gaan. Met kennis om mensenrechten te herkennen en op te eisen, kunnen kinderen en jongeren hun eigen vooroordelen en die van anderen herkennen en ‘agents of change’ worden.

 

Laatste artikelen